Ervaar het middeleeuwse leven alsof je er zelf bij was! De verschillende themakamers van de Historium Story geven een impressie van het leven in de 15e eeuw met prachtige decors, film, muziek en speciale effecten. Laat je meevoeren in een spannend liefdesverhaal, gebaseerd op Jan van Eycks schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’, en beleef een magische ontdekkingstocht die al je zintuigen prikkelt…
Klik op de afbeeldingen hieronder voor meer info over de verschillende thema’s die aan bod komen in het Historium.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Het Huis ter Beurze was het allereerste beursgebouw ter wereld. Het huis behoorde aan de familie Van der Beurse, die een herberg openhield waar vooral Italiaanse handelaars logeerden. In de 15de eeuw groeide de herberg uit tot een drukke ontmoetingsplaats voor de handel in wisselbrieven. Zo ontstond uit de naam van de familie én van de herberg het woord 'beurs', zoals we het nu nog kennen. Amsterdam en Londen volgden later het concept dat in Brugge was ontstaan. Brugge was de eerste financiële hoofdstad van Noord-West Europa, 'Wall Street' van de middeleeuwen. In deze kamer in het Historium kun je de eerste beurshandelingen van dichtbij volgen.
Brugge dankte zijn bloei onder meer aan zijn gunstige ligging: de stad bevond zich halfweg tussen Noord- en Zuid-Europa en werd daardoor een echt commercieel knooppunt. Brugge was een draaischijf voor import en export in de middeleeuwen. Het belangrijkste importproduct was Engelse wol. Daarmee werd het vermaarde Vlaamse laken geweven, dat op zijn beurt geëxporteerd werd. In deze eerste themakamer bevindt u zich te midden de activiteiten van de middeleeuwse wereldhaven van Brugge. De stad zelf had toegang tot de zee via het Zwin, een geul die uitkwam in de Noordzee en waarlangs Damme en Sluis lagen, twee belangrijke overslaghavens voor Brugge. De schepen die in Brugge aankwamen met koopwaar waren platbodems. De haven van Brugge was enkel voor schepen zonder kiel toegankelijk.
De Hanze (een samenwerkingsverband van handelaars en steden tijdens de middeleeuwen) voerde vanuit het Noorden voornamelijk ruwe materialen en grondstoffen aan: pelzen uit Rusland en Oost-Europa, eikenhout uit Polen, laken uit Engeland, specerijen uit Portugal en edelmetalen uit Zuid-Duitsland waaruit in Brugge verfijnd smeedwerk vervaardigd werd. Uit Duitsland kwamen ook graan en wijn. Uit het Zuiden verhandelden de Italianen fijne stoffen en aluin om de kleur van lakens te fixeren en edelstenen, pigmenten, ivoor, olie en goud uit het Oosten en Noord-Afrika. Van op het Spaanse schiereiland kwamen leder, specerijen, pigmenten en allerlei metalen.
In het atelier van Jan van Eyck kijk je toe hoe zijn wereldberoemde schilderij ‘Madonna en kanunnik Joris van der Paele’ tot stand kwam. Brugge was zeer bekend voor zijn productie van luxe textiel en confectie. Maar ook Brugse kunst was zeer gegeerd: edelsmeedwerk, handschriften, miniaturen en uiteraard de panelen van de Vlaamse Primitieven, zoals Hans Memling en Jan van Eyck.
Jan van Eyck kreeg van kanunnik Joris van der Paele de opdracht om het schilderij ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ te schilderen. De kanunnik had goede banden met Rome en was een erudiet man. In het schilderij wordt Jezus afgebeeld met een groene halsbandparkiet. Deze vogel staat symbool voor de ziel van de mens en toont de rijke achtergrond van de kanunnik. Voor de creatie van het schilderij gebruikte Jan van Eyck olieverf en Venetiaanse terpentijn of lariksterpentijn.
Hier sta je temidden het alledaagse straatbeeld van Brugge anno 1435, aan het tolhuis. Elk product dat Brugge binnenkwam of verliet, passeerde aan een tolhuis waar betaald moest worden. De opbrengsten gingen onrechtstreeks naar de landsheer. In 1435 was dat de Hertog van Bourgondië. Op consumptiegoederen werd bovendien nog accijns geheven die toekwam aan de stad Brugge. Ook voor elke transactie en elke overslag moest betaald worden: voor het lossen van goederen door de pijnders (dragers), voor het gebruiken van de kraan. Al die heffingen verhoogden de prijs die de koper uiteindelijk voor zijn waar betaalde. Maar ze waren ook een belangrijke bron van inkomsten voor de stad en de staat en zorgden voor welvaart.
In de middeleeuwen zag een straat er heel anders uit dan vandaag. Veel Brugse huizen waren nog gedeeltelijk in hout. Enkel de grote straten waren geplaveid met kasseien. In kleine straten bestond de begane grond uit aangestampte aarde. Voetpaden waren er niet. De afwatering liep voornamelijk naar de Reien. Hier en daar waren waterbassins of fonteinen die de stad van water voorzagen. Ze waren aangesloten op een netwerk van loden leidingen die het water uit de watervijver aanvoerden. Naast de waterbassins en fonteinen waren alleen paleizen en sommige huizen op de waterleiding of 'moerbuis' aangesloten. Ontdek de kleine, duistere straten en mooie huizen van het middeleeuwse Brugge.
Van op een plein kijk je toe hoe het er in de handelshuizen aan toeging. In de middeleeuwen waren veel koopmannen en ambachtslieden aangesloten bij een gilde. De gilde was een controleorgaan dat het werk van zijn leden reguleerde, kwaliteitseisen stelde en de hoeveelheid bepaalde die ieder lid mocht afleveren. Zo kwamen alleen de beste producten op de markt. Dat moest de kwaliteit hoog en uniform houden. Sommige ambachten waren zeer gespecialiseerd, zoals dat van de paternostermakers. Vaak werden producten ook slechts op één plaats verkocht.
De badhuizen waren in de middeleeuwen plaatsen om samen te komen, zich te wassen en dames te ontmoeten. Hoewel badhuizen in heel Europa gebruikelijk waren, waren ze eigenlijk illegaal. Zolang de eigenaars van de Brugse badhuizen hun belastingen betaalden, mochten zij hun etablissementen ongehinderd uitbaten. Dit zette mensen ertoe aan
handel te drijven in Brugge. Het decor van het badhuis in het Historium is gebaseerd op de vele Vlaamse mannenbadstoven, miniaturen van badhuizen, uit de handschriften van de potstoven en gemengde badstoven.
'Facta et dicta memorabilia' van Valerius Maximus en andere handschriften met versieringen die badscènes in de privé-sfeer uitbeeldden. Uit deze bronnen blijkt ook dat er in de middeleeuwen verschillende types badhuizen waren: vrouwenbadstoven, mannenbadstoven, potstoven en gemengde badstoven. In de badhuizen gebruikte men vaak Brusselse salie om zicht te wassen. Salie werd toen gebruikt als een soort wondermiddel die het lichaam verfriste.